Home
Beste lezer(es),

Deze tekst werd geschreven in mijn jeugdjaren, tijdens mijn studies in het internaat van het College
in Melle.

Het is een poging om met woorden te schilderen hoe moeilijk ik me kon plaatsen in deze kleine
gemeenschap van leraren en surveillanten, aan de ene kant en medestudenten aan de andere
kant.

Er heeft steeds een heel intense vlam in mij gebrand, met veel belangstelling voor wat ik kon
waarnemen. Ik kon mij heel nauw versmelten met de natuur en de stilte. Heel moeilijk had ik het met
mijn levende omgeving. Al snel begreep ik, dat een grote afstand mij scheidde van vrijwel iedereen.
Elke stap tot toenadering eindigde in een verstikkend gevoel van ongewilde onderwerping.

Een moeilijke harde periode die eindigde met mezelf en de anderen.

Het verhaal hieronder is een relaas over mezelf en de wandeling in een kleine bekrompen wereld
waar ik geen interesse voor had.

Dromen van een jongen

Ik leef in een land van bergen, die schitteren onder het zachte zonlicht en van sombere dalen,
afgedekt met mist en schaduwen. De ganse dag dool ik op en af. Nu eens naar de top, langs
zonnige weiden, waarheen een vreugdevolle stem mij leidt, dan weer, word ik, als door een
donderend bulderen naar beneden geslagen, om in een kil hol te beven voor die ruwe stemmen.

De toppen van mijn leven geven mij het diepste geluk onder Gods hemel. Een windje waait me zoet
rond het hoofd en doet mijn haren schuchter opspringen als de manen van een veulen. Een roes
van diepe vreugde welt in me op en stijgt als een dankzang naar de blauwe hemel.
Een stroom van zacht ruisende muziek komt samen met de zwoele wind aangevloeid door de
zuivere lucht. Hij kust eerst mijn hals, mijn kaak en ten slotte mijn lippen, terwijl mijn ziel het uitzingt
in een crescendo van vreugde tonen.

Al zijn deze ogenblikken nog zo kort in mijn leven, ook al zijn ze nog zo zeldzaam, ze zijn voor mij
voedsel dat mijn ziel niet missen kan.

Doch meestal zit ik in een diepe put van ellende te rillen, omdat ik naakt en onbeschermd ben
tegen de stekende blikken van de mensen om me heen. Naakt ondanks al mijn bedekkingen, want
ik weet mezelf overgeleverd aan hun nukken. Ik beef als ik het bulderen van hun lachen hoor. Ik
schrik als zij mijn leden doen verstijven onder koude blikken.

Ik ben en sta alleen, zowel boven als beneden, op de toppen of in de dalen, maar wat een verschil.

Alleen zijn met de zon, de bergen, de wind, de natuur of alleen zijn te midden van het volk, de
massa. Ook zij zijn mensen, broeders en zusters die elkaar beminnen of haten, die elkaar hun fletse
naaktheid tonen en er onbeschaamd, zonder gevoel, om lachen, alsof het iets natuurlijk is.

Zij, de mensen, voelen zich thuis in hun schorre land en barre rotsen. Voor hen is het
schrikwekkend gebulder helse muziek, waarop zij hun genotzoekende lijven wiegen.

Daartussen sta ik dan heel alleen, ja doods alleen.

Ik kan niet anders dan kijken en bekeken worden, ik vind het vreemd en voel medelijden. Zij voelen
mijn blik over hen glijden en draaien zich om, om me na te kijken.

Mijn hart gaat feller kloppen, stijgt tot een razend tempo en mijn bloed stijgt me naar het hoofd en ik
word rood, onwennig en beschaamd. Mijn trots doet me schuilen achter een fiere houding, maar ik
ervaar het nutteloze ervan. Het is net of ik mijn naaktheid wil verbergen met een oud en verscheurd
visnet.

Op deze ogenblikken snijdt mij de pijn door het hart, dan beef ik van de verkleumende koude.
Wegkruipen moet ik bij zoveel ruwe en rauwe stemmen, die mij spottend beschimpen.

Hier in het dal zijn ze de sterksten. In de modder hebben ze leren lopen van kindsbeen af, in
dezelfde modder waarin ik wegglijd en onder algemeen gelach ten val kom, plonzend in het vuil.
Dan kronkelen hun vage lijven, ze worden beschenen door een duivels licht. Het zijn duivels die
rond mij dansen. Ik merk nu dat de verstikkende nevels, die het dal bedekken, uit hun longen
stijgen. Wat helpt het dan te huilen, wat baat het dan te vloeken.

Zal ik in de glibberige massa blijven liggen of mij met mijn laatste krachten oprichten?
Zal ik mijn idealen verloochenen, ze opgeven, of dit overwinnen?

Ik kan niet meer worstelen tegen die stroom van ellende, hij is me te machtig. Moedeloos sla ik
mezelf gade, nu ik zo meedrijf met deze vloed, de stroom die voert naar verval.

Hoe zoet en ontspannend is deze reis. Hoe heerlijk rust mijn lichaam uit in deze koele waterstroom.
Hoe onmerkbaar traag vloeit hij naar de horizon. Het kan niet waar zijn, dat deze stroom in een
diepe kolk gaat eindigen. Zo zacht schuift hij voort terwijl hij heerlijk geuren uitwasemt. Nee, dit
water voert mij naar een paradijs, naar een gelukkiger oord voor ons, mensen.

Met een schok ontwaak ik uit mijn dromerig doezelen. Mijn lichaam is week en slap geworden door
het lange verblijf in het water. Mijn oor ontvangt geen muziek, alleen maar zwaar en dof gedreun,
als van een veld met verdoemden beplant. “De ondergang” schiet me door het hoofd, het einde is
nabij.

Mijn benen schijnen niet meer de kracht te willen ontwikkelen om me naar de wal te brengen, de
eenzame, verlaten wal, onherbergzaam en somber oord. Onbeslist laat ik mij verder drijven. Zo
speel ik met mijn lot terwijl het lavend water mij dichter naar mijn verderf voert.

Plots, boven al dit ruisen van zwoele klanken, klinkt helder en zuiver, als een klok in de branding,
als muziek van Chopin, een zuivere roep. Hij is doordrenkt van medelijden en liefde, met accenten
van wanhoop, die mijn hart openrijten.

De stem klinkt zuchtend, wanhopig, maar oh zo lief. In haar diepste tonen schuilen krachten die me
losmaken van mijn lethargie. Mijn hart doet opnieuw fris bloed door mijn lichaam vloeien en met een
wanhopige kracht roei ik mezelf naar de oever, naar de mistige eenzame somberheid.

Mijn hart pijnigt zich om contact te leggen met de wezens die me uit de verstikkende verdoving
deden ontwaken. Ik heb me neergegooid onder het struikgewas naast de stroom en nagedacht
over wat me overkwam.

Mijn geest bezielde noch slechts een ding, vindt die stem, zoek die stem, die liefdevolle stem. De
stem die me redde uit het water, het water van de ondergang dat mij slaafs gevangen hield.

Moest ik de roep van mijn hart volgen? Ik voelde dat dit mij over nieuwe paden zou leiden. Een weg
terug langs de beboste oevers van de stroom die mij zo verleidelijk had meegevoerd. Een gevecht
met het bos en zijn valstrikken om mij weer op mijn vertrekpunt te brengen.

Strijden en vechten zal ik moeten om de moeilijke weg terug te gaan en te zoeken naar de stem die
mij redde uit de stroom.

Doodvermoeid ben ik in slaap gedommeld, moe van de inspanningen en moe van het piekeren
over wat me te doen stond. Mijn adem sloop rustig uit mijn mond terwijl mijn lichaam zich ontspande
op een hoopje verdorde bladeren. Morgen wacht mij een zware dag en dat werd het ook.

Toen de zon haar eerste stralen onder mijn oogleden liet schuiven en mijn ogen deed knipperen,
voelde ik mij fris en fit om aan de slag te gaan. Ik moest nu dit woud bekampen, dat al zovele
ongelukkige had verzwolgen. Het lijkt als het ware nijdig te zijn dat we aan de stroom waren
ontsnapt. Dat we niet langs haar druipende witte haren in haar donderende muil waren gestort.

Terwijl ik naar het woud stap lijkt de aanblik van het bos, een monster dat op me wacht. Haar
roestig grimmende groene haren hangen verwilderd op haar trillende borsten. Borsten verzadigd
van het bloed van die mij vooraf gingen. Haar mond is een donker hol waarin de ogen van
roofdieren flitsen. Twee donker groene ogen kijken mij aan, blinkend van hongerige wellust. Ze
doen mijn bloed stollen en vertragen. Moet ik dit trotseren? Moet ik mijn van afschuw trillende
handen tegen haar borsten drukken om haar van me af te houden?

Neen, deze taak is me te onmenselijk. Zulk een strijd vermag ik niet te leveren. Maar toch ben ik
roekeloos geroepen en hunker naar het openen van het pad om de tocht door het onherbergzame
met zijn talloze gevaren te beginnen. Mijn geloof in de stem zal dit overwinnen. Oh stem. Steun mij
in deze moeilijkheden. Laat me niet in de steek bij deze roekeloze tocht. Help mij het monster te
overwinnen.

Moedig begin ik mij een weg te banen door het struikgewas en bomen. Een gesponnen net van
wortels en lianen maakt het nog wat harder. Kronkelend wring ik er mij doorheen. Een mes om mij
een weg te hakken, heb ik niet. Ik sta er alleen voor met mijn blote handen, steun of hulp heb ik
steeds afgewezen, ik wou en zou het alleen bevechten. In alles dacht ik het alleen af te kunnen,
maar wat valt me dit tegen, mijn doortastendheid is nu ook mijn grootste vijand. Had ik nu maar een
mes!

Klagen brengt geen aarde aan de dijk, ik moet verder. De drang mij erdoor te worstelen is sterker
dan de angst. Het monster heeft de begeestering in mijn ogen gezien en lost zich op in de
weidsheid van het bos. Enkel een kreunende en druilende groene massa onthult zich nog aan mijn
blik.

Vervuld van de drang mijn stem te vinden, vang ik moedig de moeilijke tocht aan. Dit groene
monster zal mij misschien opslorpen, zoals al velen voor mij.

Mijn zo beminde hemel boven me is gans verdreven door het groen. De laatste hoop dat hij mij zou
steunen is verdwenen, mijn moed is verdwenen. Ik vorder slechts uiterst langzaam, want geen enkel
pad doorkruist deze zwetende bomenmassa. Dampen stijgen van overal op en bederven de lucht.
Overal loeren roofdieren naar hun prooi.

Met gebogen hoofd, in diep gepeins verzonken, zie ik niet waarheen ik loop. Mijn eenzaamheid
wordt me te veel en de ellende van mijn toestand wordt me steeds duidelijker. Wat doe ik hier nu
eigenlijk. Wat is de zin van dit alles. Wat betekenen al deze zorgen en kommer voor mij?

Plots voel ik mij tegen iets kleverigs aanlopen, het geeft mee door mijn gewicht. Het plakt aan heel
mijn lichaam. Lieve hemel, het is een net! Een stalen net gelijk, uit één stuk geweven, het houdt mij
gevangen in zijn klauwen, als in een magnetisch veld. Een flits van twee sluwe ogen en een harig
spinnenlijf. Ik ga eindigen als een nietig insect en als de maaltijd van een reuze spin.

Met bovenmenselijke inspanningen ruk ik mij los uit de kleverige draden en de spin aarzelt even. Ik
spring achteruit. Net te laat vloog de spin over haar net naar mij toe. De aanblik van haar lijf, bleek
zwart en vol dodelijk gif, doen mij stollen van ontzetting. Haar gif had in mijn hersenen kunnen
dringen. Bleek en met knikkende knieën zijg ik neer op enkele passen van de dood. De spin stoomt
en sist, maar verlaat haar net niet.

Dit woud met zijn onverbiddelijke wreedheid is geen plaats voor dromers. Wou ik her niet ten onder
gaan dan moest ik ter degen op mijn tellen passen. Langzaam en behoedzaam richt ik me op,
onder de ziedende ogen van de spin, die schichten van blinde haat naar mijn ziel schiet.

Met grote omzichtigheid ontwijk ik de kleverige gespannen snaren van het doodsinstrument, noch
natrillend van de gebeurtenissen.

De hitte en de klossen takken, wortels en lianen, maken de strijd ongelijk en moeilijk, maar ik vorder
nu traag. De twijfels verdwijnen, er komt hoop dat ik eens dit oord zal overwinnen en dit brengt
meer kalmte en rust.

Met kalme blik peil ik nu het gevaar dat mij omringt. Dromerijen zouden mij niet opnieuw in
moeilijkheden mogen brengen. Alertheid en paraatheid zijn het devies.

Het woud schijnt zich in mij te verdiepen, de roofdieren glippen weg, blijkbaar met enig respect.
Maar een andere, zware beproeving wacht me op. Opeens lijkt het of alle papagaaien en
brulkikkers me in koor toeschreeuwen. Het leek op spot en hoon, of zo voelde ik dit aan. Maar ook
als spottende onmacht. Door zo te schimpen probeerden ze me te treffen. Het woud wou me
vernederen door deze stomme dieren met me te laten lachen. Het wou me vernederen. Hun
geschreeuw en gehuil dat me achtervolgde ontstak in mij de koorts der wanhoop. Hoe voelde ik mij
vernederd door deze stomme vogels. Dwaze apen die me uitlachten.

Het was duidelijk dat het woud niet wist of besefte waarvoor ik mijn leven waagde. De warme liefde
die de stem mij met een vurige pijl in de ziel had geschoten, wees mij de weg en het rechte pad.

Het wordt stil en naast of achter me is er een ritselend geruis. Een geluidloos glijden van een glad
lichaam. Een onhoorbaar sluipen waar ik bang van word. Een stil geschuifel volgt me als een
onhoorbare schaduw. Het lijkt wel aan me vastgeklonken. Aanvallen durft het niet, listige lafheid
houdt het terug. Misschien wacht het op de nacht?

Stilaan valt de schemer over het woud en wordt het donker. De avond gooit zijn donkere mantel
over het bos. Het wordt nu eerst echt eng. Wat nu moet gaan gebeuren moet verborgen blijven.  

Mijn ego waarschuwt me voor deze donkere massa, ik moet een degelijk onderkomen zoeken.

Door het nachtelijk geruis van de avond hoor ik flarden van een menselijke stem. Zou daar redding
en steun te vinden zijn? Toch is de klank van wat ik hoor eerder wanhopig dan reddend. De
woorden klinken kalm en bedarend, doch de klanken botsen en klotsen tot onder de kruinen van de
hoge stoïcijnse bomen.

De angst voor het onbekende omgeeft me zodanig dat ik me haast de plaats te vinden waar de
stem vandaan komt. Ik struikel en strompel in mijn wanhopige vlucht naar bescherming. In mijn
razende loop denk ik onwillekeurig terug aan het grote spinnenweb en een kreet van schrik en
angst rolt uit mijn mond in duisternis rond me heen.

Verdwaast vol panische angst en rillend van moeheid, baan ik mij een weg naar het vale licht in de
verte, dat ik door het struikgewas al zie schemeren.

Dichterbij gekomen lijkt er een huis te staan. Een zeer groot huis. Verder lopend pijnig ik mijn geest
om uit te vinden wie hier wel een huis zou hebben gebouwd?

Door het laatste struikgewas sta ik plots in een open ruimte en het huis blijkt een kerk te zijn. Een
gebarsten klok luidt onregelmatig in de wind. Door de ramen speelt een wandelend licht en een
zware oratorische stem klotst door de gewelven tot buiten.

Blij met deze onverwachte hulp loop ik zachtjes en voorzichtig het gebouw binnen. Misschien kan ik
er wat rusten en morgenvroeg met nieuwe krachten verder gaan?

Wanneer ik de grote zware deur openduw, schuurt deze met rauwe kreten over de uitgesleten
vloer. De kille somberheid van de kerk doet me even terugdeinzen. Erg vermoeit sukkel ik naar een
stoel en zet me neer. Een bleke stofferige stem bromde van uit de diepte. Het waren dezelfde
klanken die ik met flarden in het bos had gehoord. Ze gaven me een benauwd gevoel en vervulden
me met tegenzin.

Een warm priesterhart was me erg welkom geweest, maar niet deze sombere figuur zonder inhoud
met holle verzen zonder betekenis of inhoud. Zijn rauwe stem verkondigde de liefde van zijn God.
“HIJ” die vooraan in de kerk op ons wacht en naar ons ziet. De predikant vult de kerk met zijn dwaas
geblaat en hol gepreek. Mijn geest vertroebelt en een waas trekt voor mijn ogen. Ik zie nu bijna
niets meer van het altaar. Het onttrekt me aan alle gebed met “HEM”.

Kan “HIJ” mij waarnemen door dit gordijn van wazige woorden?

De sfeer in de kerk is zo onwerkelijk, de man vervult mij met een intense afkeer. Ik besluit moe als ik
ben de kerk weer te verlaten en ergens anders te gaan schuilen.

Ik sta terug buiten en ga weer het bos in door het struikgewas. Wat later kom ik uit op een plek
waar veel los kreupelhout in het rond ligt. Met mijn laatste krachten schik ik de takken tot een hutje
en gooi me op een hoopje droge bladeren.

Te moe om te slapen en vol ellende om wat ik in de kerk aantrof, lig ik op mijn rug door de spleten
naar de hemel te staren, maar er is niets dan de boomkruinen. Plots hoor iets ritselen. Ik denk
direct aan de slang die mij voorheen had gevolgd. Maar ik voel me rustig en vredig, dit moet wat
anders zijn. Plots staar ik in de verwonderde grote ogen van een ros konijntje. Het lijkt niet eens te
schrikken. Nee, het komt tegen mij aangehuppeld en snuift nieuwsgierig met zijn vochtige neus mijn
mensengeur op.

Een diep en warm geluk overweldigt me. Met veel vreugde streel ik de warme zachte pels van mijn
nieuw vriendje. Het lijkt er wel dat we alle twee gelukkig zijn met deze onverwachte kennismaking.

Het dankgebed dat in de kerk niet uit mijn ziel wou opstijgen, komt me nu ongewild uit de mond.
Diep gelukkig sluit ik de ogen, mijn gezicht dicht tegen de warme pels van mijn vriendje gedoken.

In mijn slaap hoor ik weer die lieve stem die me uit de stroom hielp. Ik heb de indruk dat deze wijze,
mooie, tedere stem mij alleen toebehoort. Zolang ik die stem niet doe zwijgen, zal mijn leven nog
mooi worden. Boven op de hoogste piek van mijn geliefde bergen, de plek waar ik steeds mijn
toevlucht nam om de ellende met de massa mensen te ontsnappen, daarboven huist mijn stem. Ze
glimlacht lief en teder, maar ook fier omdat ze mijn gevecht voor haar merkt. Ze wenkt dat ik weer
naar boven moet geraken, ze wacht er op mij.

Rond mijn lippen plooit zich nu een gelukkige glimlach, die mijn hart vol trotst vervult, nu ik weet dat
ik voor “HAAR” mag strijden. Ze wacht daar op mijn oude poëtisch plaatsje. Ze kan niet overleven in
de laagten waar de mensen huizen. Daar op dat rotspunt, waar de lentebries mij zoende en de zon
mij omarmde, waar ik speelde met de verbeelding, waar ik zo gelukkig was.

Mijn hart loopt over van bandeloze vreugde, tot het openbarst als een rozenknop in een vroege
zomermorgen. De roos kijkt verwonderd rond vanuit haar edele schoonheid, ze ziet de ruigheid van
haar omgeving. Wanneer er naast haar nog een roos ontknoopt, hebben ze genoeg aan elkaars
schoonheid, zij aan zij beleven ze het hoogste geluk.

Fel geritsel doet me plots opschrikken. Alle rustig geluk is plots uit mij verdwenen. Sombere realiteit
overvalt me. Mijn lief konijntje naast me rilt en schokt van angst, ik hoor zijn vreedzaam hartje
bonzen als een keteltrommel. Is de slang daar terug?

Slangen vallen listig en onverwacht aan. Mij slapend doden, me vernietigen, mij en mijn dromen,
MIJN dromen, mijn stem.

Hevig stroomt mijn bloed door mijn aderen. Een wilde moed galmt door mijn lichaam. Mijn bloed
kookt van fiere drift, doch ik moet me beheersen. Ik houd mij slapend en omarm mijn bang vriendje.
Ik hoor het glibberige, lenige lijf rond mijn slaapplaats kronkelen en sluipen.

Plots hoor ik niets meer. Ja toch, een dof, kloppend gekreun, mijn hart, de angst, het stopt, weer
geritsel, schrikken en plots een venijnig gesis en twee vurig brandende ogen.

Automatisch slaan mijn handen toe en draaien en draaien, als een touwslager die woest een
scheepstouw maakt. Ik ben plots een behendige moordenaar en wring haar kop tot het linterig lijf
slap en levenloos wordt. Met een steen verbrijzel ik de kop. Ik voel de dood uit haar lichaam stijgen
en in het woud verdwijnen.

Barstende hoofdpijn en een luidde leegheid beroert mijn in krijger veranderde geest. Langzaam
richt ik me op, leeg en hard, brandend van het innerlijke vuur dat mij drijft als een ketel van een
stoommachine.

Vlug loop ik weg en zoek opnieuw de weg naar het geluk, naar mijn stem, mijn lieve stem. Kon ik u
nog maar eens horen om mijn kompas te richten. Ze klinkt zo schoon, zo zuiver, tintelend van liefde.

Deze liefde is te fel, te mooi om van een mens te komen, ze is te broos, te teder, te rein. Deze liefde
moet van een goddelijk vuur zijn waarmee u mijn klamme ziel weer opwarmt.

Mijn geest droomt weer, mijn vechtlust is terug, geluk en liefde blazen mij op. Het woud schijnt
minder vijandig. Het worstelen neemt af. Het is geen strompelen meer, geen vermoeid stappen. Het
is de tred van de jeugd, de moed, het geluk.

Het pad voor mij is rechter, minder slingerend. Ik dool niet meer!

De kracht van de strijd heeft me in zijn greep, een mannelijke greep, dat zeker. Het geeft me
behendigheid, oriëntatie, weg is die vermoeidheid.

Mijn droom sterkte mij met warme hoop die nu fris door mijn aderen stroomt. De strijd, het kampen
tegen de blinde oerkrachten van de natuur wordt lichter, het einde is nabij.

Mijn gemoed wordt rustiger en zelf zekerder, mijn ogen stralen rustige eigenwaarde uit, mijn hart
klopt sterker. Mijn lichaam voelt stevig en soepel aan. Ik kan weer onder de mensen komen.

Mensen? Ik weet het niet echt. Dan moet ik weer door de vallei der dwazen. De sombere leegheid
die daar hangt, beloert mij al als het ware tot hier.

Nee, geen roofdier, geen bos of woud is zo wreed als die dwaze mensen uit de vallei. Geen slang
zo listig, geen spin zo lelijk. De mens bedreigt zich zelf en is zijn eigen spook, hij slaat zichzelf. Dit
woeste woud is me bijna liever dan de vallei der dwazen. Alle opgebouwde zekerheden beginnen
een voor een van me af te druipen.

Ik besef dat het hardste deel van mijn reis naar het geluk, nog moet beginnen.

Oh lieve stem, help me, laat je nog eens horen. Ik hoor je niet meer, bij de stroom fluisterde je mij
nog zo liefderijk toe .

Maar misschien is het beeld dat ik van u in mij draag het teken. Ja, dat is het!

Je verkoos mij nog beter te helpen, dichter bij mij te zijn bij de tocht door de vallei. Dank u stem,
mijn liefde voor u groeit met stevige wortels, niet in een losse dorre bodem, niet in het zand van een
woestijn, maar in vruchtbare grond, de aarde van mijn hart.

Het woud wordt steeds dunner, weidser en ruimer. Ik kan weer vrij ademen, de benauwende lucht
wordt steeds frisser. Alles wordt schoner en beter. Zelfs her en der staan er bloempjes langs een
herkenbaar pad. Hier staat geen spook, geen vuile feeks. Dit is wonderbaar. Zo onmenselijk het
begin was, zoveel zachter wordt het einde.

En zie plots wenkt mij een jong meisje, fris en blij, wacht ze glimlachend op mij. Haar teer gezichtje
lacht me bemoedigend toe. Gouden krulhaar omlijst de rozige zachte huid van haar gezichtje. Ze
draagt geen sierraden of versierselen. Ze is onvoorstelbaar mooi in haar natuurlijkheid. Haar
lichaam is geen koude onverschillige naaktheid, ze gaat gekleed in een vluchtig waas van oprecht
geluk. Een bloem versiert haar hoofdje. Haar voetjes zijn blank en zacht. Lichtblauw raken haar
ogen mijn ziel, wanneer ze me de hand reikt om me te begeleiden. Haar zoen ruikt naar bloemen en
is vredig en zacht. Haar aanwezigheid is opwindend maar ook kalmerend, ze dompelt mijn ziel in
een diepe rust.

Samen zweven we naar de zon die in de verte door de bladerenschijnt en een dak van goud boven
het bos legt.  Aan de rand zoent ze mij opnieuw legt haar blanke arm rond mijn hals op mijn
schouder. Met haar kleine hand wijst ze naar de vallei. Haar glimlach fluistert moed, haar diepe
ogen vaart wel. Ik zie haar langzaam terugglijden in het lichte bos. Dank fluistert mijn glimlach, vaart
wel roept mijn ziel.

Voor mij ligt de streek die ik maar al te goed ken, want hier wonen mensen. Hier ruikt alles naar
mensen en dus naar wreedheid en dwaasheid.

Mijn stem roept niet, al lang niet meer. Slechts één keer heeft ze geroepen doch haar beeld wenkt
me. De tegenzin om door de vallei te trekken is zo groot dat het verlangen naar de laatste
belevenissen in het woud me doet omzien. Het mooie stukje bos in weggeëbd. Langs hier treedt
men het woud niet binnen, dit is de uitgang. Wie binnen wil moet de stroom bevaren.

Geluk en ongeluk strijden in mijn binnenste om voorrang terwijl de nimf weer in mij verschijnt. Vaart
wel, vaarwel… dit is voor u voorbij… een nieuw stuk leven ligt voor u, ga en vaart wel… zoek uw
stem, zoek de rotspiek… het ga u goed.

Ik stap naar de vallei toe. Een rivier scheidt me van haar. Een veerman, jong in zijn grijsheid, grijnst
me toe, zijn ogen branden als een hel van vuigheid. “Hier vaart men geen retour, jonge man”. Zijn
fel ruikende adem blaast me deze woorden door de neus. Ik begrijp niet echt wat hij bedoelt. Ik haal
mijn schouders op en stap op de schuit. Wanneer ik aan de overkant uitstap schatert hij het uit in
een vettige lach, alsof het om een goede vangst ging.

Tegenover de aanlegplaats staat er een dompige taverne, een hoopje mens staat er in de deur;
“Lust in een borrel jochie, of mag het een …” Woedend om zoveel onbeschaamdheid loop ik stug
weg, weg van die zieligaard. Ik moet hier zo vlug mogelijk door of ik verstik nog in deze laagheid.
Het verlangen naar mijn hoogland grijpt me aan. Ik moet er heen, steeds meer.

Vlammende kastelen, de dag gaat zich verliezen in de nacht, de zwerver wordt een doolaard.

Ik moet nu ergens zien te gaan slapen. De koude nacht doet me donker rillen, alles treurt in grijze
rouw om de verzonken weelde van de zon. Tranen komen op de oogleden der bloemen, snikkend
slapen ze in, ze zijn bang van de nacht.

De ziltige maan spint mijn schaduw langer en langer, een gigant ligt uitgesmeerd, een zwarte reus.
Donker wiegelen de bomen, allen houden hun adem in van angst. Boven dit alles reist de paal en
de zwarte streep, ik en mijn schaduw, samen zwaaien we voort, samen naar de stad, we zwaaien
naar de stad die schittert en baat in een somber lichtbad. Veel te hel en fel, ook de stad vreest de
nacht doch weent niet, de stad is geen natuurkind.

Ze is bang van de nacht, daarom baadt ze zich in een wild, fel licht. Hiertegen is de nacht
onmachtig. De geest van de nacht dwaalt door de stad, wraak doen zijn vluchtige oude tanden
kraken. De geest en de stad vechten een somber gevecht om het licht. De paal en de schaduw
kijken. Beiden zwaaien zij verder, zij zwaaien naar de stad, de straten, de steegjes, huizen en
krotten, stenen, stof, niets.

De nacht zit bij de poort, hij leunt met zijn versleten handen op een oude knie, hij voelt zich zo oud
en hij wordt steeds ouder. Hij is niet slecht of wreed, maar somber en droevig, uit zijn grote donkere
ogen schuiven langzaam zwarte tranen.

Meewarig ziet hij door zijn floersen ogen naar het licht van de stad. De paal zwaait naar de poort,
ook naar de geest, zij zwaaien getweeën, zijn schaduw en hij, hij en ik. De nacht wenkt meewarig,
droevig schudt hij het hoofd, zwart zonder haren, traag, ellendig traag, haakt hij mijn lange schaduw
af, het is zijn tol die ik moet betalen.

De paal zwaait door de stad in het licht, zonder schaduw, steeds verder, dolend zonder stok, zonder
geluiden, zo lopen allen in de stad.

Een groot licht strooit slaap om zich heen. “Hotel” straalt het licht, een slaperig woord dat slaap
strooit op straat.

Slaap doorheen de nacht, weg gij oude geest, weg donkere droefheid, slaap licht bij licht, vergeet
de oude droevige geest.

De mens is dwaas, blind van het licht en bergplaats van de nacht. Hij vraagt geld. Geen goud, nee
papieren geld, vuil, oud, verkneukelt papieren geld.

Mijn zoekende drang stuwt me voort, voort naar de toppen van mijn leven. Eindeloos strekt de
woestijn zich voor mij uit. Een woestijn van onwetendheid, massa van steen en rots. Hier wonen
mensen graag in de … stad.

Ik trek verder over de zwijgende stenen, gevoelloze harde stenen, net als de bewoners hard en
gevoelloos zijn. Boven de stad hangt een grauwe wolk, het is eigenlijk geen wolk maar een
schimmig bewustzijn, een grimmige demon. Hij voedt zich als het ware met het zure zweet dat de
stad doet opstijgen. Droevig en enggeestig, drijft het boven de daken uit. Dit is de geest, de ziel der
mensen. Hun denken en leven, dat langzaam oplost in de nevelen en uit de stad verdwijnt.

Deze woestijn is eigenlijk een gevangenenkamp. Een kamp van zware misdadigers zou het kunnen
voorstellen, doch de bewoners weten dit zelf niet, zijn kennen niets anders, die arme, dwaze enge
mensen. Ze zwalpen hopeloos door de stad als gevangenen met een struikelblok rond hun been,
een steen die ze belemmerd, een blok die hun opgang vertraagt, maar ze weten het zelf niet, ze
voelen het niet, gevoelloos en hard als ze zijn.

Mijn tred is lichter en soepeler dan de doelloos zwalpende mensen. Ik heb een doel, een ideaal dat
mij voortstuwt. Welk levensdoel hebben zij, weten ze wat leven is. Het zijn mensen zoals ik, ze
zouden mooi moeten zijn, maar ze kennen dat niet en geloven dat ze lelijk zijn en zich willen
opfraaien. Maar ze kennen niet eens hun eigen verdrongen schoonheid. Hoe zouden ze
schoonheid kennen, ze maken zich lelijk, armer.

Mijn voeten doen pijn op deze harde stenen. Ik ontwaar iets dat op een markt lijkt. Markt, massa,
lompheid en domheid.

Een meester staat hier hoog verheven, hij is slimmer dan de massa blinkende lijven. Rond zijn
fraaie tent staan de mensen. Hij blaft en blaft. Waarom blaffen? Hij is slim. Rond zijn tent liggen
ketens met ijzeren halsbanden. Zou hij deze verkopen? Hij blaft nog steeds en de omstanders
blaffen terug. De handelaar klinkt hun halzen in de boeien, zij laten begaan en voelen zich gevleid.
Honden kruipen nu rond zijn stand, blaffende en jankende gekluisterde honden.

Het doet me pijn in het hart, dit gedrag had ik echt niet verwacht. Medelijden overmant me en ik wil
iemand bevrijden. Als ik zijn band wil openmaken gromt hij woedend en bijt me in de hand. Zijn beet
brandt als vuur en mijn hand weent rode tranen. Ze heeft verdriet. De mens is graag geboeid, hij
kent geen vrijheid.

Wat verder op een hoek drummen weer mensen samen. Weer een man met meer kettingen en
halsbanden. Hij predikt in zijn zwart kleed met witte boord en verkondigt de echte vrijheid die de
mens toelacht van uit de ijzeren halsband, ongekende vrijheid, arme mensen.

Stilaan dwaal ik af in de achterbuurten, niet tegenstaande mijn verheven doel, wil ik toch dit
stadsdeel bezoeken, de bewoners kennen, ze helpen. Rond een smoezige toonbank hangen drie
mannen, vuil, verwilderd en arm. Ze kennen en zien hun ellende niet. Ze kunnen ze niet meer zien.
Hun geest is te opgewekt door de drank. Ze drinken en drinken. Ze zijn vrij om te drinken, omdat ze
drinken zijn ze vrij. Wie verbiedt hun de drank? Een kleverige roestige ketting ligt om hun enkel. De
ketting verbindt hun aan de waanzin, ze voelen zich vrij.

De rijke is ook vrij, kan zich alles veroorloven. Hij heeft immens veel geld, heel veel geld. Een grote
hoge hoop papier, eigenlijk waardeloos. Iedereen buigt voor hem, hij is rijk! Hij doet wat hij wil, zijn
borst is opgezet met papier, hij is vrij. Rond zijn hals hangt een blinkende ketting met een gouden
halsband. Hij kocht ze zelf, want hij is erg rijk.

Mijn blik klimt nu moeizaam naar boven, een echte reus, een grote rijzige man. Het zinnebeeld van
sterkte en menselijke vrijheid. Iedereen ziet zijn gestalte, iedereen vindt hem geweldig en mooi. Om
zijn lippen krult echter een domme lach en hij is niet echt een adonis. In zijn hand houdt hij tientallen
zware massieve kettingen. De gouden ketting van de rijkaard, die van de handelaar, die van de
vrijheidsprediker, die van de waardin, hij houdt ze alle in zijn handen gekneld, de kettingen van
vrijheid. In zijn andere hand houdt hij nog een ketting over, de zijne, de vrijheid zelf is ook geboeid.

Zijn hatelijke ogen tasten alle einders af en zijn blik schuift naar mij. Hard is de blik die zich in mij
boort, zijn dikke lippen krullen nog meer als hij merkt dat ik geen ketting draag. Zijn hand maait in
de lucht en rukt aan zijn eigen ketting. Hij raadt of ruikt mijn gedachten en biedt me een plaats aan
naast hem, mee heersen over de vrijheid, walgelijk.

Ik wend me af, trillend van ellende, bloedend van pijn. Pijn om de mensen, pijn om hun kettingen,
pijn om hun lot. Ik maak mij weg uit deze stad en eens buiten zie ik ze wegkolken in een wolk van
vroege grijsheid.

De geest van de nacht is ook niet meer aanwezig. Leeg werd hij weggezogen door de geest van de
dag. Hij is niet zo somber, zijn stem lacht glinsterende parels bloot die uit zijn mond op de grond
vallen. De parels rollen her en der tot in het water en flikkeren als zilveren belletjes. Hun muziek
heelt mijn wonden en geneest mijn gemoed.

Ik voel dat het dwalen bijna ten einde loopt. In de verte gaat de zon op ne verlicht mijn geliefde
bergspits. Het is alsof ik de wind viool hoor spelen en de bloemen zie stoeien. Zou mijn stem daar
nog op mij wachten?

Kom nu niet twijfelen. Wild geluk bonst plots door mijn benen en doen ze trillen. Ze gaan, lopen en
springen naar mijn geluk. De ontlading van lange spanningen. Twee wezens die elkaar zochten en
gaan vinden.

Mijn gedachten klauteren op naar boven, niets kan ze tegenhouden, mijn ziel wordt geest en hier
heerst geest boven alle stof. Hindernissen bestaan niet meer.

Waarom kijken de stenen me zo droevig aan, mijn terugkeer moest ze hevig verblijden? De
bloemen ontwijken mijn vraag, een nog onuitgesproken vraag. Ik jaag rusteloos verder, hoe langer
hoe heftiger. Ik raas over alles heen in een laatste sprint naar het eeuwig geluk. Maar ach, ik was
ze vergeten, de dwaze, zwakke mensen.

Daar, mijn stem, heerlijker dan ooit straalt ze, maar haar stem bereikt mij niet, ze spreekt niet tot mij!

Ik kan dit niet geloven, dat is mijn stem niet, dat is mijn stem zeker niet. Dichterbij zie ik de
verwarring, het is een eenzame, arme, dolende vrouw. Geen bloem die voor haar bloeit en de lucht
is haar veel te ijl.

In mijn paradijs is er geen geluk voor deze mensen. Smachtend gaan haar ogen aan mij voorbij en
zoeken naar beneden. Daar wacht haar iemand anders. Haar glans wordt doffer en doffer. Ze
beweegt zich naar een man wat lager op de helling. Die moet mij zijn  nagekomen. Ze raken elkaar
aan met de vingertoppen en zie ze versmelten samen. Geen man of vrouw meer, ze zijn een
geworden, een grijze mens die strompelend naar beneden gaat, naar de stad en de kettingen.

Ik ken mijn eigen geest niet meer, ik ben niet meer. Ik hijs me verder naar boven, zonder
verwachtingen, vernietigd, en gans kapot.

Twee wezens staan op de top, mijn ziel en ik, ontbonden door de pijn en de ontgoocheling,
gelouterd van het verdriet.

Maar zie, de bloemen lachen weer, ze glimlachen naar me, blij me weer te zien. Ze neigen in de
bries naar elkaar en fluisteren onder elkaar onhoorbare woordjes. De wind komt me begroeten en
terwijl hij mij wast, van kop tot teen, met zijn heerlijke adem, speelt hij zijn mooiste lied. Maar ik blijf
gespleten, mijn ziel en ik. Hij vermag ons niet weer bij elkaar te brengen.

Weemoedig staar ik naar de moeizaam afgelegde weg, de weg die ik volgde naar hier en mijn stem.
Dit kan ik niet overleven.

Maar, maar, zie, in de verte, ver over de stad, ver over de stroom, groeit er iets. Het komt dichter en
dichter. Het wordt een wazige lichtbal. Voorwaar een ster uit de hemel. Ze daalt zacht neer op de
piek. In de lichtwolk staat een wezen, blond en hemels verrukkelijk mooi.

Ze treedt uit haar schelp van lichtend geluk. En plots herken ik haar, het is de elf uit het woud. Haar
ogen schitteren van warmte en vreugde. Haar lichte handen reiken naar mij en voegen mijn ziel en
mijn geest weer samen. Ik ben weer!

Een gulp van gouden licht en helse vreugde slaat tussen ons over.

Haar zoen is als de eeuwigheid, blijvend en onsterfelijk.

Samen stappen we in haar schelp en zweven langzaam weg, onze handen in elkaar, een eeuwige
reis, voor altijd samen, voor altijd gelukkig.

Postscriptums.

Het is vele jaren geleden dat ik deze tekst schreef en het verhaal is in zijn symboliek waar en echt
ervaren. Het grootste deel, is een beeld van mijn puberteitsjaren en de onmogelijkheid me aan te
passen aan de mij omringende maatschappij. Mijn vallen en opstaan, mijn nooit aflatende drang
naar schoonheid en zachtheid, die ik zelden aantrof.

Maar het verhaal eindigt mooi en ook dit einde heb ik echt meegemaakt. Ze noemt Maria en is een
echte elf. Sinds ik haar mocht zoenen werd alles in mij verenigd met haar. Ze slaapt nog steeds
dicht bij me en wanneer we de deur van onze woning achter ons dichtmaken, zweeft haar schelp
ons tegemoet en nestelen we ons knus bij elkaar, altijd intens gelukkig. En ja, soms sluiten we de
schelp en als een ster flitsen we dan door de lucht naar de plaatsen waar alles begon.

Mylemans Guido.
Ghostwriter
Gesponsorde Koppelingen
Top 10 in Google ?
Website design ontwerp en planning
Optimalisatie zoekwoorden
Page ranking opwaarderen
www.seomanagement.be
Ghostwriter teksten speeches
De mooiste liefdesbrieven
Een onvergetelijke gelegenheidstekst
Passende woorden voor intense zaken
www.ssimusicalevents.com
Butler Wine tasting and Music
Wine taster will comment your wines
Jurade St.Emilion, Com.des Graves
Also great pianist classical evergreens
www.ssimusicalevents.com/
Seo Management
Begeleiding Top Ranking Campagnes
Streamed Keywords Technologies
Uniek 6 maanden abonnement
www.SEOmanagement.be
E-mailadressen op maat
Snelle levering 0.09 € per adres
Alle doelgroepen en regio's
Snel, doeltreffend en goedkoop
www.SEOmanagement.be
Website design &  SEO Marketing by  Bvba Software Services International